Archief voor februari 2008

Lofzang op de Argentijnen

februari 24, 2008

(Deel 2 van 2. Lees eerst deel 1: Alle indiaantjes schieten met…)

Zeven peso of nog geen 2 euro per persoon betalen we voor de camping in Purmamarca, Noord-Argentinië (tegen de grens met Bolivia). Nu ja, camping. Een te groot uitgevallen binnentuin waar iets mee te verdienen valt, zoiets. De komende week wordt het een constante: tentje opslaan voor belachelijk weinig geld, Argentijnen leren kennen (meestal uit de hoofdstad) en ’s avonds bij de asado (barbecue) proberen uit te leggen dat ik geen vlees eet.

Echt ongelooflijk hoe snel de mensen je hier aanspreken, oprecht geïnteresseerd zijn ook. En de volgende keer dat je ze tegenkomt, is het van de overkant van de straat: ‘¡Ola Tincho (plaatselijke variant op koosnaam Marre)! ¿Cómo andas?’ Zijn ze iets aan het eten of drinken, dan krijg je meteen een stuk. En daarvoor hoef je ze nog niet eens te kennen.

Devil in disguise

En zo komt het dat we na onze trip naar de Grote Zoutmeren (fietser Marcos klom de 60 kilometer van 2000 naar 4000 meter hoogte in één dag, eat this Herdertje Gringo) op een pick-up springen met een bende hippies van la capital.

Siesta in het park van het idyllische Maimará (de kinderen: ‘Hoe kom je aan die blauwe ogen? Waarom heeft Carlos zijn haar gekleurd?’), wegvluchten voor bombita’s of waterballonnen in Tilcara (in het geval van Carlos: ze op de verkeerde plek krijgen), de tweede Garganta del Diablo van de reis opzoeken (ik heb zo het gevoel dat dit niet het laatste lichaamsdeel van de duivel is dat we zullen zien), heelder carnavalsnachten door dansen in Humahuaca (aan dat feest lijkt hier geen einde te komen).

Dit is de streek waar de Argentijnse twintigers hun (luttele) twee weken vakantie komen doorbrengen. Andere nationaliteiten ontmoeten we hier nauwelijks en om eerlijk te zijn: ons niet gelaten. Want waar maak je dat nog mee, dat je buren je spontaan komen helpen als je je tent opzet? Dat een hele bende onbekende carnivoren voor die ene zotte Belg vegetarisch kookt?

Ook de volgende busrit is er een om niet licht te vergeten. In canon Broeder Jacob zingen met onbekende Argentijnen (al is dat dus bijna een contradictio in terminis). Maar ook: hotsen over bergpassen en dwars door rivieren naar Iruya, een indianendorpje verscholen tussen metershoge rotskloven in alle kleuren, 50 kilometer van wat je een berijdbare weg zou kunnen noemen.

Down by the river….

En het kan nog extremer. De volgende dag kost het ons enkele uren om San Isidro te bereiken. Te voet (wegen leiden er niet naartoe), af en toe een menselijke ketting vormend om de rivier over te komen. We voetballen er in een duizelingwekkend decor, zoeken een uur naar de bal in het ravijn, eten ’s avonds veel te weinig pasta bij kaarslicht (no hay luz en San Isidro) en spelen policía y ladrón (een eenvoudige versie van weerwolven – voor de spelregels, mail Tom Deburghgraeve).

Tattoo Bike

Ondanks de buitentemperatuur wacht ons een koude douche in Córdoba. We arriveren er met een volgekrabbeld adresboekje (‘Laat het weten als je nog eens in Buenos Aires komt!’) in een jeugdhotel, het enige plekje waar twee bedden vrij zijn. Hoe kil doen die Europeanen toch tegen elkaar.

We besluiten de tweede stad van Argentinië snel te ruilen voor het nabijgelegen Alta Gracia. Daar wachten ons het huis van de Guevara’s (wie zei daar dat Che een Cubaan was?) en een magnifiek mountainbiketochtje door oogverblindende marmergroeven en langs verlaten strandjes bij bergriviertjes.

De volgende douche krijgen we op de camping, als een regenstroom dwars door het grondzeil ons abrupt wekt. Sukkelen met de doorweekte tent doe ik onder het oog van een pas gearriveerde bende motards. Als ze naderbij komen, blijken ook de getatoeëerde zware jongens een door en door Argentijnse inborst te hebben. Of ze niet kunnen helpen.

Poll Scriptum: Door welk verschrikkelijk dier ik dan wel gebeten ben? Wel, om de mama’s nog even op de kast te jagen: dit beestje zat dodelijk leuk in onze kamer in San Isidro:

The Scorpions…

En om de meme’s gerust te stellen: al was het een paar keer nipt, het enige beest dat mij werkelijk heeft gebeten, was een mug. En vooralsnog voel ik geen knokkelkoortske opkomen.

Bij dit (voorlopige) afscheid van Carlos (ik trek nu met Vicky naar Patagonië), mag het duidelijk zijn aan wie de nieuwe poll is opgedragen. De vraag luidt dan ook: wat gaat Carlos moeten doen? Een tip is te vinden op YouTube:

 

Alle indiaantjes schieten met…

februari 24, 2008

(Deel 1 van 2)

Ken je de braderie op Harelbeke kermis? Ooit al carnaval gevierd in Aalst? Gentse Feesten misschien? Wel, niets daarvan is te vergelijken met carnaval in Zuid-Amerika. Wij zitten niet eens in Brazilië, maar in Noordwest-Argentinië, weliswaar in de indianendorpen tegen Bolivia, dat andere carnavalsland.

Vriendelijk zijn ze wel bij de toeristische dienst in Salta, maar het hoe en vooral het waar van het carnaval willen ze niet verklappen. Maar dankzij enige technieken geleend van de genaamde Douglas DC bevinden we ons rond middernacht (i.e. na de derby River-Boca) midden in het feestgewoel.

Wat we daar in die uithoek van de stad te zien krijgen, is ronduit fenomenaal. In een langgerekte stoet passeren reuzenpoppen van bekende koppen type Che en Fidel die zich voortbewegen op bezwerend tromgeroffel, heel erg schaars geklede vrouwen dansend op muziek van rondrijdende orkesten en – echt waar voor mij het indrukwekkendst – indianen met op hun schouders een soortement van totem van wel twee keer hun eigen lengte. Pluimen, slagwerk, trompetten en vooral veel… spuitbussneeuw.

Papa Noel de Bélgica

Geloof het of niet, maar te midden van al dat indrukwekkends schoppen wij het even tot vedetten van de avond. Je moet namelijk weten: Carlos en ik zijn de enige twee blanken (de ‘blanke’ Argentijnen interesseren zich niet voor dat jaarlijkse indianengedoe), gringo’s nog wel die niet zo goed Spaans spreken. De mannen zijn aan het dansen in de parade, dus in het publiek: alleen maar indianenvrouwen en -kinderen. Plus: die sneeuw, waarin blijft dat beter plakken dan in een lange, vuile, rosse baard.

Het begint met alle kleine indiaantjes die schieten. Pief poef paf. Tot hun moeders, zelf vaak nog tieners, mee beginnen te doen. Dat wordt me daar een sneeuwgevecht. De portier kijkt nogal op als ik thuiskom.

Papa Noel MartÃn

Opmerkelijk: als we om 5 uur ’s morgens volledig ondergesneeuwd afdruipen, is het feest nog volle bak bezig, hoewel er de hele avond geen druppel alcohol te bespeuren viel.

It takes two to cumbia

Dat is in Cachi, een bergdorpje een paar uur verderop, wel even anders. Het sportstadion loopt vol bezopen mannen en vrouwen, dansend op de razend populaire cumbiamuziek van een liveband. En grappig dat ze die vreemde baardmensen vinden (alweer geen blanke te bespeuren). Want de cumbia dans je nu eenmaal met zijn tweeën, niet op je eentje zoals wij, beschaamd als we zijn om een plaatselijke schone ten dans te vragen (of toch ten minste bang om een dzjoef op ons muile te krijgen van hun vent).

Wie mij een beetje kent weet dat er maar één verklaring voor is waarom ik om 3 uur al naar huis ga. Juist, ik wil de volgende ochtend vroeg op de mountainbike zitten. Zoals afgesproken sta ik om halftien – nu ja, vroeg – bij de fietsenman. En vloeken dat ik doe als hij twee uur later met een slaapkop zijn deur opendoet. Pas achteraf besef ik dat dit eigenlijk het geknipte land is voor mij. Volgens mij springen zelfs de plaatselijke Herders pas rond de middag op hun mountainbike. Wat moet een mens meer?

De koelte van de ochtend, zo blijkt. Ik dacht dat ik een goede klimmer was, maar 14 kilometer aan een stuk bergop fietsen, over losliggende stenen, op 2300 meter hoogte in volle zon, daar wordt een mens nederig van. Vooral als het doel van de tocht, de precolumbiaanse ruïnes van Las Pailas, onvindbaar blijkt – ondanks de hulp van tien porteños uit Buenos Aires (wees gerust, ik was de enige loco, de luiaards waren met de wagen).

Maar voor jullie beginnen te lachen, goede Herders: die afdaling! Veertien kilometer lang, bijna zonder trappen, zicht op de besneeuwde Nevado de Cachi (6380 m) en een landschap waar dat van de Houffalizemarathon nog niet aan kan tippen. Adembenemend. Al was het maar vanwege die state of the art downhillfiets (toch aan de kilo’s te oordelen) met wel een volle centimeter vering (helaas niet verticaal maar horizontaal, van voor naar achter).

De Rechte van Kuifje

De Footprint stuurt ons zuidwaarts richting Cafayate, maar omdat we die gids zo mogelijk nog meer beu zijn dan de jeugdhotels vol Europeanen en Amerikanen, beslissen we de tien Argentijnen te volgen, noordwaarts richting Jujuy.

Dat betekent dat we voor een stuk terug moeten. Erg vinden we dat niet, gezien we de waanzinnigste weg door het waanzinnigste landschap ooit volgen. De chauffeur loodst zijn bus onvervaard de bergen over, door de kronkelende ‘ripio’ straten, in dit regenseizoen overstroomd door rivieren die ongegeneerd de kortste weg naar beneden zoeken. En dan, volledig onverwacht: la Recta de Tin Tin. Veertien kilometer kaarsrecht asfalt door een hoogvlakte bezaaid met metershoge kandelaarscactussen. En aan de horizon van dat opwindende landschap: de majestatische Nevado de Cachi.

Het is die fabuleuze busrit die ons uiteindelijk in Purmamarca brengt, een klein indianendorp dat zijn vele bezoekers dankt aan een heuvel met zeven kleuren.

(Geen poll, vraagt u? Lees snel verder in deel 2: Lofzang op de Argentijnen)

I wanna be a hippie and I wanna stay here

februari 3, 2008

Van de bewoonde wereld afgesneden door kilometers woestijnachtige duinen, op een kaap omringd door goudgele stranden ligt een oud vissersdorpje, ingepalmd door hippies en bewaakt door zeewolven. Het kon het begin zijn van een lichtjes absurd sprookje, ware het niet dat het de beschrijving is van Cabo Polonio, het idyllische Uruguayaanse plekje waar we verzeild zijn geraakt.

Elektriciteit is er even schaars als drinkwater en omdat er geen wegen zijn, raak je er enkel met een 4×4-busje. En omdat het er allemaal hippies zijn, blijven de deuren van de kleurige houten huisjes gewoon open. Met een omheining maak je je al helemaal belachelijk, want er heerst een spontane buena onda (good vibrations).

Je kunt je wel inbeelden dat Carlos en ik er ons in onze nopjes voelden. Beetje zwemmen in zee, beetje wandelen in de duinen (welk seizoen was het ook alweer in België?), beetje onder de indruk wezen van de paringsdans van de zeewolven. Want ook al huilen ze als de eindredactie- en lay-outcollega’s die een dt-fout ontdekken (au-au-auuuuuuu), het zijn heus wel kolossen van beesten. Na zonsondergang – die ik toch liever met iemand anders aan mijn zij had aanschouwd, con permiso Carlito – is er vegetarisch lekkers (wat dacht je, daar tussen al die alternativo’s). En jamsessies, de ene al geschifter dan de andere, maar altijd in het o zo charmante Spaans gezongen.

Ook de Cabo Poloniaanse paarden zijn trouwens vol van love, peace and understanding, alleen moet je bij het passeren natuurlijk niet net op ‘den draad’ stappen waarmee ze zijn vastgemaakt. Carlos toch!

De sfeer in de truck terug enkele dagen later is er een van hangende schouders (en in mijn geval ook hangende oogleden, wegens niet meer genoeg tijd voor een koffietje). Bij de jonge Uruguayanen, die hun vakantie beëindigen, maar ook bij ons: als we hier ooit nog terugkeren zal het hetzelfde niet meer zijn. Nu al hebben dagjestoeristen het paradijsje onder de vuurtoren ontdekt en zelfs naar hippienormen zijn de overnachtingsprijzen al behoorlijk high.

Coati de neusbeer

‘Poor Niagara’, zo zou Eleanor Roosevelt uitgeroepen hebben toen ze de watervallen zag in Iguazú, onze volgende stop, in Noord-Argentinië. En ik bevestig: van de aanblik van de Cataratas del Iguazú wordt een mens toch even stil. Zo machtig, zo indrukwekkend, zo’n overweldigende natuurpracht.

In fel contrast overigens met het natuurpark zelf. Bij het overzetbootje ontbreekt alleen Lambik nog, ergens in een schommelstoel op de oever, om het helemaal op een overbevolkt Bellewaerde te doen lijken. Overal aangelegde wandelpaden, bij het kleinste watervalletje is het aanschuiven en van de jaguars die er zouden leven is al helemaal niet veel te zien. Of het moet de gemotoriseerde variant zijn, want jawel, midden in het ‘natuurpark’ staat, met zicht op de watervallen, een Sheratonhotel voor dikke toeristen met even dikke wagens. Af-grij-se-lijk.

Gelukkig maken de uiterst schattige coati’s (een soort miereneters of – jups – neusberen) veel goed. En geef mij nog een douche onder een watervalletje in de buurt en mijn dag kan al helemaal niet meer kapot.

De toeristische afzetterij beu beslissen we de dag erna op eigen houtje de brousse onveilig te maken. En kijk, na nauwelijks vijf minuten stappen maar goed verborgen voor de buitenwereld blijken indianen in uiterst armoedige omstandigheden te leven. De Guaraní leven van de natuur, het handjevol geld dat ze van de overheid krijgen en toerisme (af en toe een blanke zijn kop eraf, bij voorkeur zo’n afschrikwekkende met lange baard :-) .

Ongelukkig lijken ze niet, ze vertellen dat ze liever hier leven dan in de stad. Hun kinderen verklappen ons bovendien hoe we aan de rivier moeten geraken: door een nauwelijks zichtbaar gat in het struikgewas. En dat moet je ons natuurlijk geen twee keer tonen.

 Kabouters versus waterratten

In het begin valt het al bij al nog mee. Gewapend met een stok om het ongedierte weg te jagen van het pad dat toch al een tijdje ongebruikt lijkt, gaat het al bij al aardig vooruit. Tot het ‘pad’ overschakelt op de modus ‘indiaan’ (toch gauw een kop kleiner) om even later over te gaan naar ‘hottentot’ (ik dacht óók dat die alleen in Afrika leefden). Ik verdenk er het regenwoud zelfs van kabouters te herbergen, want bepaalde stukken moesten we echt wel op handen en voeten afleggen.

Maar net als we denken dat die indio’s ons eens goed bij de neus(beer) hebben, verschijnt hij daar in al zijn glorie: de Iguazú, een van de rivieren die de bekende watervallen aandrijven. En na al dat gezweet in die tropische hitte is een frisse duik voor een waterrat als ik uiteraard onweerstaanbaar.

En zo komt het dat we een paar uur later in ons veel te kleine tentje kruipen onder de mangobomen (!) op de camping, moe maar met het gevoel heel even een echte ontdekkingsreiziger te zijn geweest.

Poll Scriptum: De toekomst zal uitwijzen wat het antwoord op de vorige poll is. Vlees heb ik alsnog niet gegeten, al kan ik intussen wel al eens om een dood beest lachen (deze foto is niet voor gevoelige kijkers).

De nieuwe poll gaat over levende dieren: ik heb een beet overgehouden aan mijn avonturen, aan jullie om te raden van welk ondier.

a) een Cabo Poloniaans hippiepaard

b) een al dan niet giftige slang

c) een al dan niet met knokkelkoorts besmette mug

d) een niet zo schattige coati die het op mijn koekje begrepen had

e) een zeewolf die dacht dat ik met mijn gehuil zijn vrouwtje aan het verleiden was

Breng uw gok uit door hieronder te reageren.