Als ik deze post met de volgende zin begin, verlies ik de helft van mijn lezers omdat ze jaloers achter hun bureautje zitten en de andere twee omdat ze me niet geloven. En toch doe ik het, omdat ik niet anders kan: Bolivia is een fantastisch land, met ongelooflijk vriendelijke mensen.
Jij bent toch nog aan het lezen, moedre? Goed, dan geef ik eerst het bewijs voor ik ook mijn laatste lezeres verlies. Voor het moment zit ik op een zonovergoten koloniale patio mijn blogje te schrijven in een huis dat ik een paar weken het mijne mag noemen. Dankzij de gastvrijheid van Josué en zijn gezin, met wie ik samenleef hier in Sucre.
Moet er nog zout zijn
Hoe het zover is gekomen, is grotendeels te danken aan mijn eerste dagen ‘alleen’ op reis. Al is dat een relatief begrip. De driedaagse trip vanuit San Pedro, Chili naar de zoutvlakte van Uyuni in Bolivia onderneem je uiteraard niet alleen-alleen. Met een handvol toeristen zit je opeengepakt in een 4×4 bestuurd door een gids-chauffeur.

Laguna Colorada, onderweg naar het zoutmeer in Zuid-Bolivia.
Geen overbodige luxe als je weet dat het zoutmeer volgens sommige bronnen een derde van de oppervlakte van België beslaat. En wegen, laat staan wegwijzers, moet je er niet verwachten. Een spierwitte vlakte die reikt tot aan de horizon, onder een staalblauwe lucht. Het is een onbeschrijflijke ervaring die met niets te vergelijken valt. Magisch gewoon.
En die intensiteit – zij het op de meest diverse vlakken – blijkt typisch voor dit land. De aankomst in het dorp Uyuni bezorgt me niet meer of minder dan een cultuurschok. Na tweeënhalve maand westers luizenleven beland je in een ontwikkelingsland.
Exemplarisch zou je mijn eerste Boliviaanse wc-bezoek kunnen noemen (een smerig gat in de grond), of beter nog: de stapel tweedehandsschoenen op de markt in Uyuni. Een groter contrast met het merkengekke Chili en Argentinië kun je je niet inbeelden.
En om eerlijk te zijn: het geeft me precies de punch die ik nodig heb na de reisgewenning die toesloeg de laatste dagen in Chili. Want Bolivia blijkt ook een land dat meteen heel authentiek overkomt, met autochtone Quechua’s en Aymara’s die nog uit gewoonte traditionele kleren dragen en niet voor de toeristen.
Keizersstad in het Westen
Ook Bolivia: de nachtelijke busrit naar mijnstad Potosí. Vaarwel luxueuze camabussen (met bed), welkom lawaaierige propvolle afgedankte wrakken. Met een snelle stop waar het mansvolk onbeschaamd zijn ding doet in de dichtstbijzijnde voortuin. Hopelijk voor de eigenaar stopt de bus telkens ergens anders.
Dankzij zijn zilvermijnen heeft Potosí een indrukwekkende geschiedenis, die je nog altijd merkt in de koloniale architectuur van de stad. Ten tijde van ‘onze’ keizer Karel was het niet minder dan de rijkste stad van de wereld, waar de eerste echte eenheidsmunt geslagen werd. Maar net door diezelfde mijnen hangt er vandaag de dag een depri sfeertje.
Want hoewel er nog nauwelijks zilver te delven valt en het laatste staatsbedrijf er al een paar jaar opgedoekt is, dalen velen er nog elke dag voor eigen rekening af in de mijnen. Ook ik deed het. En al besef ik maar al te goed dat ik er zonder enig overdrijven mijn leven voor op het spel gezet heb, ik had het voor geen zilver ter wereld willen missen.
De gidsen probeerden ons op voorhand zo hard duidelijk te maken dat we vooral moesten lachen en grapjes maken met de mijnwerkers, dat het iets in-triest had waar de tranen me net niet van in de ogen sprongen. Het verbeterde er niet op toen ze ons aanboden om als geschenk voor de arbeiders een drank te kopen met – hou je vast – 96 procent alcohol. Ik heb het gehouden bij een paar dynamietstaven, waarmee ze op goed geluk zilveraders proberen bloot te leggen, en cocabladeren, waarmee ze het einde van de dag net iets makkelijker halen. Jups, die dingen kun je daar zomaar op straat kopen.
Ik steek zelf wat coca in mijn mond (wekt speeksel op, waardoor de stofferige en hete lucht je minder irriteert) en hup, we duiken de mijn in. ‘Duiken’ is in dit geval nauwelijks beeldspraak, want niks brede gang met stevige stutbalken of mijnlift. Enige automatische dat er te bespeuren valt, is een treintje dat op het bovenste niveau vracht vervoert en waar we een keer of twee voor uit de weg moeten springen. Afdalen is kunst- en vliegwerk via provisoire en uiterst gammele ‘ladders’ en kruipend op handen en voeten - bij momenten ellebogen en knieën, want de doorgangen zijn niet voorzien op Europese maten.
Als we op niveau 4 aankomen – er zijn al een paar kompanen afgevallen - is de hete ijle stoflucht pas echt verstikkend (vergeet niet dat Potosí op 4000 meter hoogte ligt). Maar vanaf het moment dat een achttienjarige mijnwerker ons vanuit een onooglijk gat tegemoet komt gekropen, blijken alle verschrikkingen die we doorstaan hebben in één klap bijzaak. Met volledig uitgeleefde, doffe blik vertelt hij ons dat hij hier al vier jaar werkt. U leest het goed: van zijn veertiende.
En hij heeft nog een tijdje te gaan. Na een harde sociale strijd hebben ze de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ tot net onder de zestig gekregen. Extreem bitter als je weet dat de meesten amper de 55 halen.
Hij moet dan toch wel erg veel verdienen, vragen we ons hardop af. Twee, soms drie dollar per dag. Als hij het geluk heeft dat hij op het weinige zilver stoot dat er nog te vinden is. En geloof me, zelfs naar Boliviaanse normen is dat niet zo veel. Zelfs met lesgeven, een van de slechtstbetaalde jobs, verdien je hier meer. Maar je moet daar dan ook voor gestudeerd hebben.
Dit is handwerk: met hamer en beitel kappen bij 40-45 graden Celsius. Met je zware buit op de rug door nauwe holen naar boven klimmen. Met dynamiet in een wirwar van nauwelijks gestutte gangen een nieuw gat blazen. En hopen dat daar meer te vinden is.
Chemical brothers
Er zijn ook lichtere jobs. Al is het maar de vraag of die beter zijn. Om het zilver te verkrijgen moet je het ruwe gesteente namelijk behandelen. In een gebouw vol roeste USSR-machinerie kunnen we het amper twee minuten volhouden voor we bijna bezwijken onder de zware chemische dampen. Met het uiterst giftige spul dat vrolijk in allerlei open bakjes circuleert, wordt ongetwijfeld al eens nonchalant gemorst. Maar who cares, dit is een buitenwijk van Potosí, vol arme families. Ik kan het niet laten te vragen waar het afval naartoe gaat. Het officiële (!) antwoord luidt: ‘Gelukkig hebben we nu al een tijd een veilige dumpplaats een eind verderop.’ Je moet niet vragen.
Het mijnbezoek bracht me zo van mijn melk dat ik besloot meteen een ode aan de werkers van de Cerro Rico te schrijven op mijn blog. Helaas is dat er de afgelopen weken niet van gekomen door de uiterst intense Boliviaanse avonturen die elkaar in spoedtempo zijn blijven opvolgen. Nu ik dit al schrijvende herbeleef, ben ik weer even erg onder de indruk (getraumatiseerd?). Zo erg dat ik vind dat het welletjes is voor vandaag. De andere avonturen zijn voor een volgende blogpost. En zo krijgen de mijnwerkers alsnog hun eigen ode. Meer dan terecht.
Poll Scriptum
Om toch nog met een opgewekte noot te besluiten: de poll. Vraag 1: welke naam wordt mij in dit filmpje zonder enige schroom toegedicht? Vraag 2: wat staat hier te gebeuren?
Tip op deze foto:
Oh ja, antwoord van de vorige poll was a, zoals de vreemde Jezusfiguur omringd door 3 Maria’s op deze foto bewijst. Ik heb er overigens zwaar voor onder mijn voeten gekregen van een veel te katholieke Chileense furie. “Baja, baja! Kom daaraf, daaraf zeg ik!”











