Archief voor april 2008

Ode aan de mijnwerkers van Potosí

april 28, 2008

Als ik deze post met de volgende zin begin, verlies ik de helft van mijn lezers omdat ze jaloers achter hun bureautje zitten en de andere twee omdat ze me niet geloven. En toch doe ik het, omdat ik niet anders kan: Bolivia is een fantastisch land, met ongelooflijk vriendelijke mensen.

Jij bent toch nog aan het lezen, moedre? Goed, dan geef ik eerst het bewijs voor ik ook mijn laatste lezeres verlies. Voor het moment zit ik op een zonovergoten koloniale patio mijn blogje te schrijven in een huis dat ik een paar weken het mijne mag noemen. Dankzij de gastvrijheid van Josué en zijn gezin, met wie ik samenleef hier in Sucre.

Moet er nog zout zijn

Hoe het zover is gekomen, is grotendeels te danken aan mijn eerste dagen ‘alleen’ op reis. Al is dat een relatief begrip. De driedaagse trip vanuit San Pedro, Chili naar de zoutvlakte van Uyuni in Bolivia onderneem je uiteraard niet alleen-alleen. Met een handvol toeristen zit je opeengepakt in een 4×4 bestuurd door een gids-chauffeur.


Laguna Colorada, onderweg naar het zoutmeer in Zuid-Bolivia.

Geen overbodige luxe als je weet dat het zoutmeer volgens sommige bronnen een derde van de oppervlakte van België beslaat. En wegen, laat staan wegwijzers, moet je er niet verwachten. Een spierwitte vlakte die reikt tot aan de horizon, onder een staalblauwe lucht. Het is een onbeschrijflijke ervaring die met niets te vergelijken valt. Magisch gewoon.

En die intensiteit – zij het op de meest diverse vlakken – blijkt typisch voor dit land. De aankomst in het dorp Uyuni bezorgt me niet meer of minder dan een cultuurschok. Na tweeënhalve maand westers luizenleven beland je in een ontwikkelingsland.

Exemplarisch zou je mijn eerste Boliviaanse wc-bezoek kunnen noemen (een smerig gat in de grond), of beter nog: de stapel tweedehandsschoenen op de markt in Uyuni. Een groter contrast met het merkengekke Chili en Argentinië kun je je niet inbeelden.

En om eerlijk te zijn: het geeft me precies de punch die ik nodig heb na de reisgewenning die toesloeg de laatste dagen in Chili. Want Bolivia blijkt ook een land dat meteen heel authentiek overkomt, met autochtone Quechua’s en Aymara’s die nog uit gewoonte traditionele kleren dragen en niet voor de toeristen.

Keizersstad in het Westen

Ook Bolivia: de nachtelijke busrit naar mijnstad Potosí. Vaarwel luxueuze camabussen (met bed), welkom lawaaierige propvolle afgedankte wrakken. Met een snelle stop waar het mansvolk onbeschaamd zijn ding doet in de dichtstbijzijnde voortuin. Hopelijk voor de eigenaar stopt de bus telkens ergens anders.


Mag er daar zout op?

Dankzij zijn zilvermijnen heeft Potosí een indrukwekkende geschiedenis, die je nog altijd merkt in de koloniale architectuur van de stad. Ten tijde van ‘onze’ keizer Karel was het niet minder dan de rijkste stad van de wereld, waar de eerste echte eenheidsmunt geslagen werd. Maar net door diezelfde mijnen hangt er vandaag de dag een depri sfeertje.

Want hoewel er nog nauwelijks zilver te delven valt en het laatste staatsbedrijf er al een paar jaar opgedoekt is, dalen velen er nog elke dag voor eigen rekening af in de mijnen. Ook ik deed het. En al besef ik maar al te goed dat ik er zonder enig overdrijven mijn leven voor op het spel gezet heb, ik had het voor geen zilver ter wereld willen missen.

De gidsen probeerden ons op voorhand zo hard duidelijk te maken dat we vooral moesten lachen en grapjes maken met de mijnwerkers, dat het iets in-triest had waar de tranen me net niet van in de ogen sprongen. Het verbeterde er niet op toen ze ons aanboden om als geschenk voor de arbeiders een drank te kopen met – hou je vast – 96 procent alcohol. Ik heb het gehouden bij een paar dynamietstaven, waarmee ze op goed geluk zilveraders proberen bloot te leggen, en cocabladeren, waarmee ze het einde van de dag net iets makkelijker halen. Jups, die dingen kun je daar zomaar op straat kopen.


Zoek Marre…

Ik steek zelf wat coca in mijn mond (wekt speeksel op, waardoor de stofferige en hete lucht je minder irriteert) en hup, we duiken de mijn in. ‘Duiken’ is in dit geval nauwelijks beeldspraak, want niks brede gang met stevige stutbalken of mijnlift. Enige automatische dat er te bespeuren valt, is een treintje dat op het bovenste niveau vracht vervoert en waar we een keer of twee voor uit de weg moeten springen. Afdalen is kunst- en vliegwerk via provisoire en uiterst gammele ‘ladders’ en kruipend op handen en voeten - bij momenten ellebogen en knieën, want de doorgangen zijn niet voorzien op Europese maten.

Als we op niveau 4 aankomen – er zijn al een paar kompanen afgevallen - is de hete ijle stoflucht pas echt verstikkend (vergeet niet dat Potosí op 4000 meter hoogte ligt). Maar vanaf het moment dat een achttienjarige mijnwerker ons vanuit een onooglijk gat tegemoet komt gekropen, blijken alle verschrikkingen die we doorstaan hebben in één klap bijzaak. Met volledig uitgeleefde, doffe blik vertelt hij ons dat hij hier al vier jaar werkt. U leest het goed: van zijn veertiende.

En hij heeft nog een tijdje te gaan. Na een harde sociale strijd hebben ze de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ tot net onder de zestig gekregen. Extreem bitter als je weet dat de meesten amper de 55 halen.

Hij moet dan toch wel erg veel verdienen, vragen we ons hardop af. Twee, soms drie dollar per dag. Als hij het geluk heeft dat hij op het weinige zilver stoot dat er nog te vinden is. En geloof me, zelfs naar Boliviaanse normen is dat niet zo veel. Zelfs met lesgeven, een van de slechtstbetaalde jobs, verdien je hier meer. Maar je moet daar dan ook voor gestudeerd hebben.


Chique baard!

Dit is handwerk: met hamer en beitel kappen bij 40-45 graden Celsius. Met je zware buit op de rug door nauwe holen naar boven klimmen. Met dynamiet in een wirwar van nauwelijks gestutte gangen een nieuw gat blazen. En hopen dat daar meer te vinden is.

Chemical brothers

Er zijn ook lichtere jobs. Al is het maar de vraag of die beter zijn. Om het zilver te verkrijgen moet je het ruwe gesteente namelijk behandelen. In een gebouw vol roeste USSR-machinerie kunnen we het amper twee minuten volhouden voor we bijna bezwijken onder de zware chemische dampen. Met het uiterst giftige spul dat vrolijk in allerlei open bakjes circuleert, wordt ongetwijfeld al eens nonchalant gemorst. Maar who cares, dit is een buitenwijk van Potosí, vol arme families. Ik kan het niet laten te vragen waar het afval naartoe gaat. Het officiële (!) antwoord luidt: ‘Gelukkig hebben we nu al een tijd een veilige dumpplaats een eind verderop.’ Je moet niet vragen.

Het mijnbezoek bracht me zo van mijn melk dat ik besloot meteen een ode aan de werkers van de Cerro Rico te schrijven op mijn blog. Helaas is dat er de afgelopen weken niet van gekomen door de uiterst intense Boliviaanse avonturen die elkaar in spoedtempo zijn blijven opvolgen. Nu ik dit al schrijvende herbeleef, ben ik weer even erg onder de indruk (getraumatiseerd?). Zo erg dat ik vind dat het welletjes is voor vandaag. De andere avonturen zijn voor een volgende blogpost. En zo krijgen de mijnwerkers alsnog hun eigen ode. Meer dan terecht.

Poll Scriptum

Om toch nog met een opgewekte noot te besluiten: de poll. Vraag 1: welke naam wordt mij in dit filmpje zonder enige schroom toegedicht? Vraag 2: wat staat hier te gebeuren?

Tip op deze foto:

Oh ja, antwoord van de vorige poll was a, zoals de vreemde Jezusfiguur omringd door 3 Maria’s op deze foto bewijst. Ik heb er overigens zwaar voor onder mijn voeten gekregen van een veel te katholieke Chileense furie. “Baja, baja! Kom daaraf, daaraf zeg ik!”

 always look on the bright sight of life

Roberto en Bertrand in Chili

april 14, 2008

(Noord-Chili, half maart tot begin april)

Zo vlak voor je dertigste ontdekken dat er tegen alle verwachtingen in nog kicks blijken te bestaan waar je nooit van geproefd hebt, het schept extra perspectieven voor de volgende dertig jaar. De mountainbiketocht door de prachtige omgeving van het Argentijnse Mendoza vervult me met de normale adrenaline – al is ‘normaal’ relatief in het (voorlopig) indrukwekkendste land van dit continent. Het wildwaterraften daarna doe ik voor het eerst.

Het kan een waterrat als ik uiteraard alleen maar bekoren. Al krijg ik de grootste kick vooral als we het bergmeer binnenvaren in het totale donker, onder begeleiding van onheilspellend gedonder en verblindend gebliksem. We bereiken de oever net voor hagelstenen formaat duiveneieren meedogenloos op alles beginnen in te slaan.

De brie die niet mocht zijn

Ook de busrit via de Aconcagua, met zijn bijna 7000 meter de hoogste berg van de Amerika’s, naar de Chileense hoofdstad Santiago is er een om niet licht te vergeten. Uiteraard heb ik weer, zoals het een goede vegetariër in het land van lomo en asado betaamt, een rugzak vol fruit en kaas mee (ik heb voor het eerst brie gevonden!). Het moet minstens mijn vierde grensoversteek zijn en uiteraard ben ik het opnieuw vergeten. Dus sta ik vlak voor de douane weer maar alles binnen te schrokken als een hongerstaker die zijn overwinning viert. En deze keer valt er echt niets organisch binnen te smokkelen, want het is professioneel te doen, met zo’n maldito snuffelhond.


Sandboarden in San Pedro de Atacama, Chili.

Maar je hoort me niet klagen, want ik word in Santiago allerhartelijkst ontvangen. Door de illustere heer die onder het pseudoniem D. op deze site al eens een brug te ver durft gaan qua vunzige praat (je bent van het Harelbeekse Ooste of je bent het niet), maar ook door een joelende menigte van een paar duizend man. Het kost mij evenveel tijd om door te hebben wat er – hint hint – in godsnaam gaande is, als het hén tijd kost om te beseffen dat ík – mijn baard nog altijd geen millimeter geschoren – niet de Heer ben die waarlijk is opgestaan uit de doden.

Gelukkig laat Paeme zich op dat ogenblik de nu al legendarische uitspraak ontvallen: ‘Kijk, Jezus komt op!’ Waarop alle blikken zich in extase naar het podium keren, waar inderdaad iemand met lange baard en wit gewaad verschijnt. Iedereen verwacht de zoveelste preek op deze gigantische paasviering, maar in plaats daarvan begint een orkestje te spelen en begint de Jezus van dienst als een bezetene te… rappen! Geen betere start voor onze Chileense veertiendaagse vol onverwachte wendingen.

Padnietvinders

De tweede verrassing volgt de dag daarna al. Vanop de paasviering hebben we hoog op een berg pal in het centrum van Santiago een kitscherig Mariabeeld zien blinken. Over onze missie van vandaag bestaat geen twijfel. Bovengeraken blijkt geen enkel probleem, het uitzicht is prachtig, so far so good. De miserie begint als we het slimmeke willen spelen en een shortcut door het bos naar beneden nemen.

Uren sukkelen en tsjaffelen we in de modder, ik op mijn sandalen en Paeme op zijn ‘teensletsen’, we glijden de living binnen van een clochard die zich er geïnstalleerd heeft (en gelukkig niet thuis is), niemand niemand niemand komen we tegen. Tot we uiteindelijk verslagen weer omhoog klimmen om op de weg te komen – hoop en al honderd meter verder dan waar we die verlaten hadden. Je moet het maar kunnen, hopeloos verloren lopen in een park in het centrum van een wereldstad.


Dolce far niente, of in Harelbeekse en dus minder poëtische termen: ‘leegaarden’, ‘fakken’.

Afgezien daarvan blijkt Santiago, voor alle duidelijkheid, een verrassend aangename stad (i.e. met lekker ijs en goede koffie, als je even zoekt). Helemaal anders maar minstens even charmant is Valparaíso, een industriële havenstad met massa’s gekleurde huisjes die zich tegen de bergen aanschurken. Een ervan is een stulpje van de bekendste Chileense dichter ooit, Pablo Neruda (remember de film Il Postino?). Als volleerde ‘leegaards’ gaan we de heuvel op met een van de ascensores, oldtimertreintjes die even gammel zijn én even stijl omhoog gaan als de one and only Cyclone, de rollercoaster op Coney Island, NY.

Ons hotel in Valparaíso heeft trouwens een dakterras met schitterend uitzicht, alleen zijn de uitbaters zo vriendelijk dat om 23 uur al te sluiten, zodat we de stad nooit by night kunnen overschouwen (dit is nog de periode dat we ná 23 uur naar bed gaan).

Nessie

Volgende stop is La Serena, een badplaats waar D. erin slaagt voor de tweede keer een duik in de Pacific te rateren. Helemaal ongelijk kun je hem trouwens niet geven, als je deze foto ziet van mij (ik ben er natuurlijk als eerste in gesprongen).


Barba-doble-rossa.

De locals verzekerden me wel dat het veilig was om te zwemmen, maar ze hadden er toch beter bij verteld dat zij er níét ingingen vanwege het overvloedige rode zeewier.

Nog zo’n kick die ik voor het eerst in mijn alreeds 29-jarige leven mag beleven: wondermooi Saturnus van dichtbij aanschouwen (inclusief ringen!). De verhalen die we bij het astronomisch observatorium van Mamalluca te horen krijgen, spreken in alle opzichten tot de verbeelding. En dan heb ik het niet alleen over de verschillende mythes die volgens Grieken en Romeinen, Inca’s en Spanjaarden schuilgaan achter hetzelfde sterrenbeeld. De werkelijkheid van Amerikanen, Europeanen en Japanners die elkaar de loef afsteken met de grootste telescoop ter wereld (in Chili, jawel), overtreft met gemak de fictie.

De grootmachten kregen hele Chileense steden zo ver hun straatverlichting te switchen van felwit naar zachtoranje (de lichtpollutie, weet je wel) en maken die ene bergtunnel waar hun telescoop door moet telkens net breed genoeg. Waardoor de concurrentie een paar jaar later, met haar nog grotere lens, opnieuw aan het verbreden mag slaan.

Indianenverhalen

Even magisch als de onovertroffen Chileense sterrenhemel is San Pedro, een oasedorpje in de Atacama. Dit mag dan wel de droogste woestijn ter wereld zijn, je moet niet denken dat de overheid het nijpende energieprobleem oplost met zonnepanelen of pakweg de thermische energie van de geisers verderop. Vooroorlogse generatoren op diesel, daarmee moeten ze het hier doen.

En ook Belgen blijken er hun stempel van wanbeheer te hebben gedrukt. Het verhaal van pater Gustavo Le Paige, die er tot de jaren tachtig zijn gang zou hebben gegaan met de archeologische (goud)schatten van de indianen, verklaart de gemengde reacties als we vertellen dat we van België komen.


Hot hotter hottest.

Ondanks die problemen blijft San Pedro de Atacama iets mystieks uitstralen. Vanwege de vulkanen en warmwaterbronnen (als het warm genoeg is krijg je jeanoo D. natuurlijk wel in het sop), vanwege unieke landschappen als de Valle de la Luna en de Valle de la Muerte, maar toch vooral vanwege de alomtegenwoordigheid van de inheemse cultuur van de Atacameños.

Ik kan wel uren luisteren naar hoe Roberto, onze gastheer, uitlegt hoe belangrijk de oude wijzen zijn voor zijn volk, hoe dromen nooit bedrog zijn, welke wijsheden oude petrogliefen bevatten en welke rol levensnoodzakelijke gevoelens spelen in de indiaanse maatschappij. Al kost het D., die in de kamer naast ons de slaap probeert te vatten, dan wel een stuk van zijn nachtrust. Waarvoor bij deze mijn oprechte excuses.

Het hoogtepunt van de Chileense avonturen blijft echter uit tot de allerlaatste dag: een lange Skypesessie met (bijna) alle jonge Byttes. Ik was er – echt waar – bijna evenveel van aangedaan als die Hollander naast mij van de moonshot van Matthies in de webcam.

Poll Scriptum: Vergeet de lastminutepoll bij de vorige post niet (Suske en Wiske). Voor deze poll houden we het simpel. Wat is de naam van deze rotsformatie in de Valle de la Luna?

Reageer hieronder en stem voor:
a) de drie Maria’s
b) de drie indiaantjes
c) de drie Jezi
d) de drie lurven

Suske en Wiske in Patagonië

april 4, 2008

(Zuid-Argentinië en Zuid-Chili, half februari-half maart)

Waarom zou iemand met zijn lief naar het mythische Patagonië en het zo mogelijk nog mysterieuzer Vuurland (Ushuaia!) trekken? Om er in eenzame vlakten en onherbergzame bergen te verdwalen, er weer en vooral wind te trotseren misschien? In plaats daarvan komen Vicky en ik tussen half februari en half maart in een nooit geziene toeristische mallemolen terecht vol dure tours, ver weg van authentieke Argentijnen en Chilenen.

Ushuaia, de zuidelijkste stad ter wereld, telde begin jaren tachtig, toen onze taxichauffeur er arriveerde, hooguit 5000 zielen. Je moest er ’s winters dan ook metersdikke sneeuw wegscheppen voor je je eigen deur uit kon. Nu groeit de stad richting 80 000 inwoners, allen aangetrokken door de rijke toeristen, en wij wandelen er dagenlang rond in T-shirt. Mocht Al Gore het trieste tegendeel niet bewezen hebben, je zou zweren dat ze in Patagonië ook het weer aangepast hadden voor de toeristen.

Bespaar nooit op foto’s van pinguïns

Ook het centrum van andere steden in de omgeving is opgetrokken uit toeristische bureaus en hostels, winkeltjes met outdoormateriaal en souvenirs en – die vind je nu eenmaal overal in Argentinië – schoenwinkels. Maar wij trekken ons daar niet te veel van aan en vluchten naar een b&b in de rand, waar we toch een beetje tussen de locals leven, en haasten ons daarna met ons tentje de natuur in. Want die is namelijk wel zonder uitzondering adembenemend.

Het zicht op het buitenaardse berglandschap vanuit het vliegtuig naar Ushuaia, de drie bergtoppen die boven een gletsjermeer uittorenen in het Chileense natuurpark Torres del Paine (op mijn verjaardag!) of de metershoge ijsschotsen die met hels lawaai het water in donderen voor de kilometerslange Perito Morenogletsjer, het zijn beelden die zo ontroeren dat ik ze nooit meer vergeet.

Ook altijd extreem cool: beesten. Dat is vrij letterlijk te nemen in het geval van pinguïns. En niet zomaar een paar, nee, in Punta Arenas nemen we de boot naar een kolonie van liefst 150 000 stuks. Voor de close-ups moet je bij Vicky zijn, die na een uur op het eiland amper 30 meter ver is geraakt – al moet ze dan wel zowat 100 foto’s per meter hebben genomen. Voor de rest: zeeleeuwen, dolfijnen, lama’s, vossen, stinkdieren (!), buizerds, spechten, zwanen met zwarte nek en… de ontzagwekkende condor.

Honger is de beste saus

Maar tussen de gletsjers van de Andes valt meer te ontdekken dan meren in betoverende kleuren en zo mogelijk nog magischer zonsondergangen. Zo was ik wat blij dat het nordic walking zijn geheimen pas onthulde aan Vicky op de vierde dag Torres del Paine. Ze was er – nu ja – met geen stokken van te overtuigen ietsje trager te stappen.

Op het einde van die afmattende dag van 13 (dertien!) uur hiken wachtte ons trouwens nog een ontdekking. We arriveren op een plek waar voor het eerst in dagen een ‘restaurant’ is. Tussen aanhalingstekens weliswaar, want veel meer dan Mestdagh-eten valt er niet te scoren. (Voor wie er geen trauma heeft aan overgehouden: dat voedsel ontleent zijn naam aan de traiteur die de Harelbeekse stadsscholen bedient.) Wel, ik moet zeggen: nooit heeft een dagschotel me zo gesmaakt.

Hippiechill

Patagonië trekt niet alleen bergbeklimmers en natuurliefhebbers aan, in de jaren zeventig stichtten ook de hippies er een commune. Die chilly sfeer hangt nog altijd in El Bolson, waar we met volle teugen van onze laatste dagen genieten.

Op doorreis naar de Argentijnse hoofdstad bekroont een ‘zwemtje’ in het berekoude meer van Bariloche een fantastische reis door een fantastisch land, dat zich zonder enige moeite een plaatsje verovert bij Cuba en Nieuw-Zeeland in mijn persoonlijke top drie. In wereldstad Buenos Aires splitsen onze wegen. Ik moet naar Chili, dat ik met de heer D. Paeme verken, voor Vicky roept de plicht in N-GA-land. Snik.

Poll Scriptum: Maarten die een beetje artyfarty wil doen? Maarten die de technische grenzen van zijn camera verkent? Of schuilt er een heus verhaal achter deze foto uit Torres del Paine? Breng uw gok uit door hieronder te reageren.