Archief voor de ‘Argentina’ Categorie

Suske en Wiske in Patagonië

april 4, 2008

(Zuid-Argentinië en Zuid-Chili, half februari-half maart)

Waarom zou iemand met zijn lief naar het mythische Patagonië en het zo mogelijk nog mysterieuzer Vuurland (Ushuaia!) trekken? Om er in eenzame vlakten en onherbergzame bergen te verdwalen, er weer en vooral wind te trotseren misschien? In plaats daarvan komen Vicky en ik tussen half februari en half maart in een nooit geziene toeristische mallemolen terecht vol dure tours, ver weg van authentieke Argentijnen en Chilenen.

Ushuaia, de zuidelijkste stad ter wereld, telde begin jaren tachtig, toen onze taxichauffeur er arriveerde, hooguit 5000 zielen. Je moest er ’s winters dan ook metersdikke sneeuw wegscheppen voor je je eigen deur uit kon. Nu groeit de stad richting 80 000 inwoners, allen aangetrokken door de rijke toeristen, en wij wandelen er dagenlang rond in T-shirt. Mocht Al Gore het trieste tegendeel niet bewezen hebben, je zou zweren dat ze in Patagonië ook het weer aangepast hadden voor de toeristen.

Bespaar nooit op foto’s van pinguïns

Ook het centrum van andere steden in de omgeving is opgetrokken uit toeristische bureaus en hostels, winkeltjes met outdoormateriaal en souvenirs en – die vind je nu eenmaal overal in Argentinië – schoenwinkels. Maar wij trekken ons daar niet te veel van aan en vluchten naar een b&b in de rand, waar we toch een beetje tussen de locals leven, en haasten ons daarna met ons tentje de natuur in. Want die is namelijk wel zonder uitzondering adembenemend.

Het zicht op het buitenaardse berglandschap vanuit het vliegtuig naar Ushuaia, de drie bergtoppen die boven een gletsjermeer uittorenen in het Chileense natuurpark Torres del Paine (op mijn verjaardag!) of de metershoge ijsschotsen die met hels lawaai het water in donderen voor de kilometerslange Perito Morenogletsjer, het zijn beelden die zo ontroeren dat ik ze nooit meer vergeet.

Ook altijd extreem cool: beesten. Dat is vrij letterlijk te nemen in het geval van pinguïns. En niet zomaar een paar, nee, in Punta Arenas nemen we de boot naar een kolonie van liefst 150 000 stuks. Voor de close-ups moet je bij Vicky zijn, die na een uur op het eiland amper 30 meter ver is geraakt – al moet ze dan wel zowat 100 foto’s per meter hebben genomen. Voor de rest: zeeleeuwen, dolfijnen, lama’s, vossen, stinkdieren (!), buizerds, spechten, zwanen met zwarte nek en… de ontzagwekkende condor.

Honger is de beste saus

Maar tussen de gletsjers van de Andes valt meer te ontdekken dan meren in betoverende kleuren en zo mogelijk nog magischer zonsondergangen. Zo was ik wat blij dat het nordic walking zijn geheimen pas onthulde aan Vicky op de vierde dag Torres del Paine. Ze was er – nu ja – met geen stokken van te overtuigen ietsje trager te stappen.

Op het einde van die afmattende dag van 13 (dertien!) uur hiken wachtte ons trouwens nog een ontdekking. We arriveren op een plek waar voor het eerst in dagen een ‘restaurant’ is. Tussen aanhalingstekens weliswaar, want veel meer dan Mestdagh-eten valt er niet te scoren. (Voor wie er geen trauma heeft aan overgehouden: dat voedsel ontleent zijn naam aan de traiteur die de Harelbeekse stadsscholen bedient.) Wel, ik moet zeggen: nooit heeft een dagschotel me zo gesmaakt.

Hippiechill

Patagonië trekt niet alleen bergbeklimmers en natuurliefhebbers aan, in de jaren zeventig stichtten ook de hippies er een commune. Die chilly sfeer hangt nog altijd in El Bolson, waar we met volle teugen van onze laatste dagen genieten.

Op doorreis naar de Argentijnse hoofdstad bekroont een ‘zwemtje’ in het berekoude meer van Bariloche een fantastische reis door een fantastisch land, dat zich zonder enige moeite een plaatsje verovert bij Cuba en Nieuw-Zeeland in mijn persoonlijke top drie. In wereldstad Buenos Aires splitsen onze wegen. Ik moet naar Chili, dat ik met de heer D. Paeme verken, voor Vicky roept de plicht in N-GA-land. Snik.

Poll Scriptum: Maarten die een beetje artyfarty wil doen? Maarten die de technische grenzen van zijn camera verkent? Of schuilt er een heus verhaal achter deze foto uit Torres del Paine? Breng uw gok uit door hieronder te reageren.

Lofzang op de Argentijnen

februari 24, 2008

(Deel 2 van 2. Lees eerst deel 1: Alle indiaantjes schieten met…)

Zeven peso of nog geen 2 euro per persoon betalen we voor de camping in Purmamarca, Noord-Argentinië (tegen de grens met Bolivia). Nu ja, camping. Een te groot uitgevallen binnentuin waar iets mee te verdienen valt, zoiets. De komende week wordt het een constante: tentje opslaan voor belachelijk weinig geld, Argentijnen leren kennen (meestal uit de hoofdstad) en ’s avonds bij de asado (barbecue) proberen uit te leggen dat ik geen vlees eet.

Echt ongelooflijk hoe snel de mensen je hier aanspreken, oprecht geïnteresseerd zijn ook. En de volgende keer dat je ze tegenkomt, is het van de overkant van de straat: ‘¡Ola Tincho (plaatselijke variant op koosnaam Marre)! ¿Cómo andas?’ Zijn ze iets aan het eten of drinken, dan krijg je meteen een stuk. En daarvoor hoef je ze nog niet eens te kennen.

Devil in disguise

En zo komt het dat we na onze trip naar de Grote Zoutmeren (fietser Marcos klom de 60 kilometer van 2000 naar 4000 meter hoogte in één dag, eat this Herdertje Gringo) op een pick-up springen met een bende hippies van la capital.

Siesta in het park van het idyllische Maimará (de kinderen: ‘Hoe kom je aan die blauwe ogen? Waarom heeft Carlos zijn haar gekleurd?’), wegvluchten voor bombita’s of waterballonnen in Tilcara (in het geval van Carlos: ze op de verkeerde plek krijgen), de tweede Garganta del Diablo van de reis opzoeken (ik heb zo het gevoel dat dit niet het laatste lichaamsdeel van de duivel is dat we zullen zien), heelder carnavalsnachten door dansen in Humahuaca (aan dat feest lijkt hier geen einde te komen).

Dit is de streek waar de Argentijnse twintigers hun (luttele) twee weken vakantie komen doorbrengen. Andere nationaliteiten ontmoeten we hier nauwelijks en om eerlijk te zijn: ons niet gelaten. Want waar maak je dat nog mee, dat je buren je spontaan komen helpen als je je tent opzet? Dat een hele bende onbekende carnivoren voor die ene zotte Belg vegetarisch kookt?

Ook de volgende busrit is er een om niet licht te vergeten. In canon Broeder Jacob zingen met onbekende Argentijnen (al is dat dus bijna een contradictio in terminis). Maar ook: hotsen over bergpassen en dwars door rivieren naar Iruya, een indianendorpje verscholen tussen metershoge rotskloven in alle kleuren, 50 kilometer van wat je een berijdbare weg zou kunnen noemen.

Down by the river….

En het kan nog extremer. De volgende dag kost het ons enkele uren om San Isidro te bereiken. Te voet (wegen leiden er niet naartoe), af en toe een menselijke ketting vormend om de rivier over te komen. We voetballen er in een duizelingwekkend decor, zoeken een uur naar de bal in het ravijn, eten ’s avonds veel te weinig pasta bij kaarslicht (no hay luz en San Isidro) en spelen policía y ladrón (een eenvoudige versie van weerwolven – voor de spelregels, mail Tom Deburghgraeve).

Tattoo Bike

Ondanks de buitentemperatuur wacht ons een koude douche in Córdoba. We arriveren er met een volgekrabbeld adresboekje (‘Laat het weten als je nog eens in Buenos Aires komt!’) in een jeugdhotel, het enige plekje waar twee bedden vrij zijn. Hoe kil doen die Europeanen toch tegen elkaar.

We besluiten de tweede stad van Argentinië snel te ruilen voor het nabijgelegen Alta Gracia. Daar wachten ons het huis van de Guevara’s (wie zei daar dat Che een Cubaan was?) en een magnifiek mountainbiketochtje door oogverblindende marmergroeven en langs verlaten strandjes bij bergriviertjes.

De volgende douche krijgen we op de camping, als een regenstroom dwars door het grondzeil ons abrupt wekt. Sukkelen met de doorweekte tent doe ik onder het oog van een pas gearriveerde bende motards. Als ze naderbij komen, blijken ook de getatoeëerde zware jongens een door en door Argentijnse inborst te hebben. Of ze niet kunnen helpen.

Poll Scriptum: Door welk verschrikkelijk dier ik dan wel gebeten ben? Wel, om de mama’s nog even op de kast te jagen: dit beestje zat dodelijk leuk in onze kamer in San Isidro:

The Scorpions…

En om de meme’s gerust te stellen: al was het een paar keer nipt, het enige beest dat mij werkelijk heeft gebeten, was een mug. En vooralsnog voel ik geen knokkelkoortske opkomen.

Bij dit (voorlopige) afscheid van Carlos (ik trek nu met Vicky naar Patagonië), mag het duidelijk zijn aan wie de nieuwe poll is opgedragen. De vraag luidt dan ook: wat gaat Carlos moeten doen? Een tip is te vinden op YouTube:

 

Alle indiaantjes schieten met…

februari 24, 2008

(Deel 1 van 2)

Ken je de braderie op Harelbeke kermis? Ooit al carnaval gevierd in Aalst? Gentse Feesten misschien? Wel, niets daarvan is te vergelijken met carnaval in Zuid-Amerika. Wij zitten niet eens in Brazilië, maar in Noordwest-Argentinië, weliswaar in de indianendorpen tegen Bolivia, dat andere carnavalsland.

Vriendelijk zijn ze wel bij de toeristische dienst in Salta, maar het hoe en vooral het waar van het carnaval willen ze niet verklappen. Maar dankzij enige technieken geleend van de genaamde Douglas DC bevinden we ons rond middernacht (i.e. na de derby River-Boca) midden in het feestgewoel.

Wat we daar in die uithoek van de stad te zien krijgen, is ronduit fenomenaal. In een langgerekte stoet passeren reuzenpoppen van bekende koppen type Che en Fidel die zich voortbewegen op bezwerend tromgeroffel, heel erg schaars geklede vrouwen dansend op muziek van rondrijdende orkesten en – echt waar voor mij het indrukwekkendst – indianen met op hun schouders een soortement van totem van wel twee keer hun eigen lengte. Pluimen, slagwerk, trompetten en vooral veel… spuitbussneeuw.

Papa Noel de Bélgica

Geloof het of niet, maar te midden van al dat indrukwekkends schoppen wij het even tot vedetten van de avond. Je moet namelijk weten: Carlos en ik zijn de enige twee blanken (de ‘blanke’ Argentijnen interesseren zich niet voor dat jaarlijkse indianengedoe), gringo’s nog wel die niet zo goed Spaans spreken. De mannen zijn aan het dansen in de parade, dus in het publiek: alleen maar indianenvrouwen en -kinderen. Plus: die sneeuw, waarin blijft dat beter plakken dan in een lange, vuile, rosse baard.

Het begint met alle kleine indiaantjes die schieten. Pief poef paf. Tot hun moeders, zelf vaak nog tieners, mee beginnen te doen. Dat wordt me daar een sneeuwgevecht. De portier kijkt nogal op als ik thuiskom.

Papa Noel MartÃn

Opmerkelijk: als we om 5 uur ’s morgens volledig ondergesneeuwd afdruipen, is het feest nog volle bak bezig, hoewel er de hele avond geen druppel alcohol te bespeuren viel.

It takes two to cumbia

Dat is in Cachi, een bergdorpje een paar uur verderop, wel even anders. Het sportstadion loopt vol bezopen mannen en vrouwen, dansend op de razend populaire cumbiamuziek van een liveband. En grappig dat ze die vreemde baardmensen vinden (alweer geen blanke te bespeuren). Want de cumbia dans je nu eenmaal met zijn tweeën, niet op je eentje zoals wij, beschaamd als we zijn om een plaatselijke schone ten dans te vragen (of toch ten minste bang om een dzjoef op ons muile te krijgen van hun vent).

Wie mij een beetje kent weet dat er maar één verklaring voor is waarom ik om 3 uur al naar huis ga. Juist, ik wil de volgende ochtend vroeg op de mountainbike zitten. Zoals afgesproken sta ik om halftien – nu ja, vroeg – bij de fietsenman. En vloeken dat ik doe als hij twee uur later met een slaapkop zijn deur opendoet. Pas achteraf besef ik dat dit eigenlijk het geknipte land is voor mij. Volgens mij springen zelfs de plaatselijke Herders pas rond de middag op hun mountainbike. Wat moet een mens meer?

De koelte van de ochtend, zo blijkt. Ik dacht dat ik een goede klimmer was, maar 14 kilometer aan een stuk bergop fietsen, over losliggende stenen, op 2300 meter hoogte in volle zon, daar wordt een mens nederig van. Vooral als het doel van de tocht, de precolumbiaanse ruïnes van Las Pailas, onvindbaar blijkt – ondanks de hulp van tien porteños uit Buenos Aires (wees gerust, ik was de enige loco, de luiaards waren met de wagen).

Maar voor jullie beginnen te lachen, goede Herders: die afdaling! Veertien kilometer lang, bijna zonder trappen, zicht op de besneeuwde Nevado de Cachi (6380 m) en een landschap waar dat van de Houffalizemarathon nog niet aan kan tippen. Adembenemend. Al was het maar vanwege die state of the art downhillfiets (toch aan de kilo’s te oordelen) met wel een volle centimeter vering (helaas niet verticaal maar horizontaal, van voor naar achter).

De Rechte van Kuifje

De Footprint stuurt ons zuidwaarts richting Cafayate, maar omdat we die gids zo mogelijk nog meer beu zijn dan de jeugdhotels vol Europeanen en Amerikanen, beslissen we de tien Argentijnen te volgen, noordwaarts richting Jujuy.

Dat betekent dat we voor een stuk terug moeten. Erg vinden we dat niet, gezien we de waanzinnigste weg door het waanzinnigste landschap ooit volgen. De chauffeur loodst zijn bus onvervaard de bergen over, door de kronkelende ‘ripio’ straten, in dit regenseizoen overstroomd door rivieren die ongegeneerd de kortste weg naar beneden zoeken. En dan, volledig onverwacht: la Recta de Tin Tin. Veertien kilometer kaarsrecht asfalt door een hoogvlakte bezaaid met metershoge kandelaarscactussen. En aan de horizon van dat opwindende landschap: de majestatische Nevado de Cachi.

Het is die fabuleuze busrit die ons uiteindelijk in Purmamarca brengt, een klein indianendorp dat zijn vele bezoekers dankt aan een heuvel met zeven kleuren.

(Geen poll, vraagt u? Lees snel verder in deel 2: Lofzang op de Argentijnen)

I wanna be a hippie and I wanna stay here

februari 3, 2008

Van de bewoonde wereld afgesneden door kilometers woestijnachtige duinen, op een kaap omringd door goudgele stranden ligt een oud vissersdorpje, ingepalmd door hippies en bewaakt door zeewolven. Het kon het begin zijn van een lichtjes absurd sprookje, ware het niet dat het de beschrijving is van Cabo Polonio, het idyllische Uruguayaanse plekje waar we verzeild zijn geraakt.

Elektriciteit is er even schaars als drinkwater en omdat er geen wegen zijn, raak je er enkel met een 4×4-busje. En omdat het er allemaal hippies zijn, blijven de deuren van de kleurige houten huisjes gewoon open. Met een omheining maak je je al helemaal belachelijk, want er heerst een spontane buena onda (good vibrations).

Je kunt je wel inbeelden dat Carlos en ik er ons in onze nopjes voelden. Beetje zwemmen in zee, beetje wandelen in de duinen (welk seizoen was het ook alweer in België?), beetje onder de indruk wezen van de paringsdans van de zeewolven. Want ook al huilen ze als de eindredactie- en lay-outcollega’s die een dt-fout ontdekken (au-au-auuuuuuu), het zijn heus wel kolossen van beesten. Na zonsondergang – die ik toch liever met iemand anders aan mijn zij had aanschouwd, con permiso Carlito – is er vegetarisch lekkers (wat dacht je, daar tussen al die alternativo’s). En jamsessies, de ene al geschifter dan de andere, maar altijd in het o zo charmante Spaans gezongen.

Ook de Cabo Poloniaanse paarden zijn trouwens vol van love, peace and understanding, alleen moet je bij het passeren natuurlijk niet net op ‘den draad’ stappen waarmee ze zijn vastgemaakt. Carlos toch!

De sfeer in de truck terug enkele dagen later is er een van hangende schouders (en in mijn geval ook hangende oogleden, wegens niet meer genoeg tijd voor een koffietje). Bij de jonge Uruguayanen, die hun vakantie beëindigen, maar ook bij ons: als we hier ooit nog terugkeren zal het hetzelfde niet meer zijn. Nu al hebben dagjestoeristen het paradijsje onder de vuurtoren ontdekt en zelfs naar hippienormen zijn de overnachtingsprijzen al behoorlijk high.

Coati de neusbeer

‘Poor Niagara’, zo zou Eleanor Roosevelt uitgeroepen hebben toen ze de watervallen zag in Iguazú, onze volgende stop, in Noord-Argentinië. En ik bevestig: van de aanblik van de Cataratas del Iguazú wordt een mens toch even stil. Zo machtig, zo indrukwekkend, zo’n overweldigende natuurpracht.

In fel contrast overigens met het natuurpark zelf. Bij het overzetbootje ontbreekt alleen Lambik nog, ergens in een schommelstoel op de oever, om het helemaal op een overbevolkt Bellewaerde te doen lijken. Overal aangelegde wandelpaden, bij het kleinste watervalletje is het aanschuiven en van de jaguars die er zouden leven is al helemaal niet veel te zien. Of het moet de gemotoriseerde variant zijn, want jawel, midden in het ‘natuurpark’ staat, met zicht op de watervallen, een Sheratonhotel voor dikke toeristen met even dikke wagens. Af-grij-se-lijk.

Gelukkig maken de uiterst schattige coati’s (een soort miereneters of – jups – neusberen) veel goed. En geef mij nog een douche onder een watervalletje in de buurt en mijn dag kan al helemaal niet meer kapot.

De toeristische afzetterij beu beslissen we de dag erna op eigen houtje de brousse onveilig te maken. En kijk, na nauwelijks vijf minuten stappen maar goed verborgen voor de buitenwereld blijken indianen in uiterst armoedige omstandigheden te leven. De Guaraní leven van de natuur, het handjevol geld dat ze van de overheid krijgen en toerisme (af en toe een blanke zijn kop eraf, bij voorkeur zo’n afschrikwekkende met lange baard :-) .

Ongelukkig lijken ze niet, ze vertellen dat ze liever hier leven dan in de stad. Hun kinderen verklappen ons bovendien hoe we aan de rivier moeten geraken: door een nauwelijks zichtbaar gat in het struikgewas. En dat moet je ons natuurlijk geen twee keer tonen.

 Kabouters versus waterratten

In het begin valt het al bij al nog mee. Gewapend met een stok om het ongedierte weg te jagen van het pad dat toch al een tijdje ongebruikt lijkt, gaat het al bij al aardig vooruit. Tot het ‘pad’ overschakelt op de modus ‘indiaan’ (toch gauw een kop kleiner) om even later over te gaan naar ‘hottentot’ (ik dacht óók dat die alleen in Afrika leefden). Ik verdenk er het regenwoud zelfs van kabouters te herbergen, want bepaalde stukken moesten we echt wel op handen en voeten afleggen.

Maar net als we denken dat die indio’s ons eens goed bij de neus(beer) hebben, verschijnt hij daar in al zijn glorie: de Iguazú, een van de rivieren die de bekende watervallen aandrijven. En na al dat gezweet in die tropische hitte is een frisse duik voor een waterrat als ik uiteraard onweerstaanbaar.

En zo komt het dat we een paar uur later in ons veel te kleine tentje kruipen onder de mangobomen (!) op de camping, moe maar met het gevoel heel even een echte ontdekkingsreiziger te zijn geweest.

Poll Scriptum: De toekomst zal uitwijzen wat het antwoord op de vorige poll is. Vlees heb ik alsnog niet gegeten, al kan ik intussen wel al eens om een dood beest lachen (deze foto is niet voor gevoelige kijkers).

De nieuwe poll gaat over levende dieren: ik heb een beet overgehouden aan mijn avonturen, aan jullie om te raden van welk ondier.

a) een Cabo Poloniaans hippiepaard

b) een al dan niet giftige slang

c) een al dan niet met knokkelkoorts besmette mug

d) een niet zo schattige coati die het op mijn koekje begrepen had

e) een zeewolf die dacht dat ik met mijn gehuil zijn vrouwtje aan het verleiden was

Breng uw gok uit door hieronder te reageren.

Sinte Maria van de Goede Wind (ofte Buenos Aires)

januari 26, 2008

Tja, met zoveel cadeautjes is het natuurlijk moeilijk koffers pakken – of beter: rugzak volproppen. Maar natuurlijk lag het ook aan mijn wijd en zijd beruchte just-in-timementaliteit dat ik maandagnacht amper drie kwartier heb geslapen.

Enfin, we klagen niet, want iets of wat later zitten we een niet te versmaden ijsje te likken in de trendy gerenoveerde oude haven van Buenos Aires – ik schat dat het rond de 30 graden is. Een ijs’je’ heb je hier vanaf een kwartje kilo, maar met een halve kilo of zelfs een kilo heb je meer waar voor je geld, dus wat doet een mens dan? Juist. Een pot met coco con dulce de leche (de naam alleen al!) en chocolate granizado con trozos de chocolate nero bijvoorbeeld.

Slapen doen we in San Telmo, een al even hippe wijk vol galeries, tweedehandszaken en een overdekte markt met allerlei leuke retrospulletjes (hier past een waarschuwing: Vicky, ook als jij me binnen een maand tegemoet komt, geldt de bagagelimiet van 20 kg op het vliegtuig en nee, een container huren is geen optie).

Best gezellig, maar net iets te veel buitenlandse toeristen naar mijn smaak. En al blijkt later dat ook de jonge Argentijnen dol zijn op dit buurtje (ze zijn alleen ondervertegenwoordigd omdat ze in januari op reis zijn), geef mij toch maar de charme van het volksere La Boca – jawel, de wijk die prat gaat op het stadion van ’s lands bekendste voetbalclub. Verlaten dokken met half vergane roestige schepen, verloederde koloniale woningen die beelden van Havana oproepen en daartussen werkvolk dat bij wijze van lunchpauze een barbecuetje organiseert.

Het contrast met onze avondactiviteit kan nauwelijks groter zijn: vrijdagavond is tangoavond voor de high society in de wijk Palermo (denk BMW’s ipv oude VW’tjes, villa’s met camerabewaking en zelfs volledig uitgeruste wielertoeristen langs de weg – hoe blasé is dat niet… in Argentinië weliswaar). We kregen de tip van een insider, dus zaten Carlos en ik daar als enige toeristen te koekeloeren. En onder de indruk te wezen van hoe door elkaar krioelende koppels de meest complexe danspassen uitvoeren zonder de anderen ook maar een tikje te geven. Om van de demonstratie van de meesters om 2u nog maar te zwijgen. Voor wie het zich afvraagt: vooral op de rocknummers tussen de tangosessies door heb ik me moeten inhouden, maar ik heb maar wijselijk besloten mijn gepogo voor mezelf te houden.

Zaterdagavond was er dan wel weer een zoals hij in België had kunnen zijn: naar een popconcertje in het park van La Boca en daarna naar een bruine kroeg. Alleen kregen we maar niet uitgelegd aan onze Argentijnse en Chileense compañeros in Buenos Aires (de oorspronkelijke naam luidde Santa Maria del Buen Ayre) dat wij in België tijdskrediet (lees: geld) krijgen om een paar maanden op reis te gaan. Ook in het al bij al welstellende Argentinië en Chili dromen ze ervan naar Europa te vertrekken.

Dat is precies ook de droom van onze buschauffeur in Montevideo, Uruguay, waar we zondagavond arriveren. België zoekt migranten om zijn tekort aan chauffeurs op te vangen, zo heeft hij toch begrepen uit het Uruguayaanse tv-nieuws (!).

Toch zijn de uiterst vriendelijke Uruguayanen trots op hun land, dat naar hun zeggen de mooiste en vooral veiligste stranden van het continent heeft. Punta del Este, een strand waar je 25.000 dollar per maand voor een vakantiehuis neertelt, laten we de komende dagen links liggen. We trekken in plaats daarvan naar Cabo Polonio, een kustdorpje zonder elektriciteit waar geen auto’s kunnen rijden en dat in geen reisgids te vinden is (zo die al bestaat van Uruguay). De locals – of toch die ‘van onze slag’ – vinden het het mooiste plekje dat bestaat. Eens zien of ze gelijk hebben…

PS: Ondanks enig verzet was de uitslag van de vorige poll helaas overduidelijk: die baard blijft staan. De nieuwe poll gaat niet over ijsjes – dat zou wat te makkelijk zijn – maar over vlees. Zal ik na mijn maandenlange reis nog altijd een trotse vegetariër zijn? Overtuigd van wel? Weet dan dat dit in deze contreien het nationale gerecht is (normaal krijg je zelfs de frieten er niet bij, maar voor Carlos de Bélgica doen ze hier graag een effortke):

Steak met frieten!

Je denkt tegen te stemmen? Weet dan dat zelfs hier het vegetarische verzet langzaam maar zeker op gang komt:

vegan power

Stem door hieronder te reageren.