Archief voor de ‘Bolivia’ Categorie

Bolivianos: sol de gente

mei 29, 2008

(Sucre, Bolivia, april)

Bijna drie weken ben ik in Sucre, Bolivia blijven hangen. En ik zou er gerust een tijdje kunnen wonen. Het is te zeggen: ik héb er drie weken gewoond. Jaja, ik leefde in een huis, ging er werken in de week en – onlosmakelijk daarmee verbonden – mountainbiken in het weekend.

Verbazend hoe snel ik in mijn oude ritme herval. Al vanaf dag 2 ren ik met mijn gsm in de hand van het ene afspraakje naar het andere concertje, overal net op tijd komend (kwatongen zouden beweren: net te laat).


Op de markt van Tarabuco, een dorpje bij Sucre. Bolivia ten voeten uit.

Veel heb ik te danken aan de zonnen van mensen die de Bolivianen zijn (zoals ze dat hier zeggen). Niet het minst Josué en zijn gezin. Josué is de verzorger van een van de bekendste wielerploegen van het land. Volgens mij was hij gewoon nieuwsgierig naar wie die vreemdeling wel was die al twee dagen tevergeefs op zoek was naar een gids voor die moordende mountainbiketocht van 65 kilometer (we spreken over 3000 meter boven zeeniveau).

Hij komt me tegemoet op de plaza, we raken aan de babbel (fietsen, het schept een band) en nog diezelfde avond trek ik bij hem, zijn vrouw en zijn twee kinderen in. Waarom zou ik immers geld uitgeven aan een hotel als hij thuis een kamer vrij heeft, is zijn even simpele als gastvrije redenering. Wat Josué op dat moment nog niet weet (en ik evenmin), is dat ik daar drie weken later nog zal rondtsjolen.

‘Mi mamá me amo’

Hoewel tsjolen een zalig West-Vlaams woord is dat volgens mij niet genoeg gebruikt kan worden, moet ik toch toegeven dat het hier niet helemaal terecht staat. Er wordt namelijk niet alleen getsjoold in die weken (drie keer tsjolen in één blogpost, een mooi gemiddelde), er wordt ook gewerkt.

Als bij toeval leer ik in die eerste dagen Sucre twee projecten kennen, een met wezen en een met straatkinderen. Mensen die mij een beetje kennen, weten dat ik niet kan beslissen. Ik besluit dan maar om voor de twee te werken.


John en José-Luis van Hogar Sucre.

In de voormiddag werk ik in Hogar Sucre, een staatsweeshuis. Het is wel even slikken als je daar aankomt. Voor 46 kinderen van 4 tot 17 jaar zijn er welgeteld 3 opvoedsters. Op het moment dat ik aankom, is een van de drie dames met vakantie, dus ik kom als geroepen. Alles ligt er vuil en smerig bij, er is een timmeratelier maar er is geen hout, de slaapkamers van de kleinsten stinken naar pis.

Ik breek mijn hoofd over hoe ik de kinderen structureel kan helpen, ga onder meer een dag tevergeefs op zoek naar een muis die past zodat ze toch één pc van die stapel onbruikbare wrakken kunnen gebruiken. Maar ik moet er mij uiteindelijk bij neerleggen dat het al heel wat is als ik die kinderen wat kan helpen met hun huiswerk (de m: mi mamá me amo, kan het cynischer?) en vooral gewoon wat aandacht en affectie kan geven.

Want het zijn stuk voor stuk schatten van kinderen. Ongelooflijk eigenlijk gezien de miserie waarin ze leven. Ik vraag me af wat het ergste is: geen ouders hebben of – zoals bij sommigen – ouders hebben die niet voor je kunnen/willen zorgen. Talent zat ook in het weeshuis: creatieve timmerlui, begaafde musici. Maar deze gasten raken gewoon niet uit hun vicieuze cirkel…

Centro Educativo De Zoete Inval

Hoewel de schoenpoetsertjes die er in en uit lopen in een even uitzichtloze situatie verkeren, lijkt de sfeer in Centro Educativo Ñanta, waar ik ’s namiddags werk, een stuk opgewekter. Dankzij geld van de Europese Unie hebben ze een kleine oase van groen in het centrum van de stad kunnen kopen en het bulkt er van de Europese en Argentijnse vrijwilligers die er enthousiast workshops muziek, schilderen en koken geven.

In tegenstelling tot in het uiterst bureaucratische staatsweeshuis lopen kinderen en vrijwilligers hier binnen en buiten wanneer ze daar zelf zin in hebben. Ik heb het geluk dat ik er kan meewerken aan een magazine (een mens moet daarvoor een halfjaar tijdskrediet nemen, om te merken dat hij zijn job best wel graag doet) dat de kinderen zelf schrijven en later verkopen op straat. Véél later, zo blijkt de keerzijde van de hippiementaliteit die er heerst. Maar hé, dit is Bolivia.


John en Miguel.

En naar dat Bolivia moet ik dringend terugkeren met meer tijd. Ja, het is het land waar de kauwende oudjes stinken naar coca (zoals iemand het verwoordde) en cocaïne openlijk verkocht wordt midden in de gemeenschappelijke keuken van een jeugdhotel in hartje La Paz (zoals ik met mijn eigen ogen zag). Maar het is ook de thuisbasis van een heerlijke stad als Sucre.

Sucre kan de vergelijking met Gent best doorstaan. Nog geen 300.000 inwoners, bruisend van het jonge leven dankzij een universiteit en een laidback sfeertje waar iedereen zonder complexen zichzelf kan zijn – zelfs alcohol en vlees weigerend langbaardig werkwillig tuig dat beweert flamenco (zoals het dier, ja) te spreken.


De bende.

De koloniale huizen met patio en barokke kerken in de ciudad blanca zijn overigens een lust voor het oog en als je ’s avonds de plaza overstruint, ken je gegarandeerd iemand. Die stelt je dan weer voor aan zijn bende vrienden en voor je het weet kun je de straat niet meer opkomen zonder om de vijf minuten je hand te moeten opsteken. Ik geef toe, ik overdrijf. Maar de laatste zaterdag was het toch maar moeilijk kiezen tussen uit eten met de familie, een terrasje met de vrienden of een tochtje met de mountainbikers.

Boliviaanse hardcore: ‘¡Sucre capital!’

’s Avonds wordt het sowieso een concertje. En hoewel ze hier doorgaans een jaar of dertig, veertig achterop zijn op muzikaal gebied (Led Zep, Metallica, of erger: tribute to Pink Floyd), kun je als je de juiste mensen kent wel een Boliviaanse hardcoregroep meepikken (Maldita Jaqueca ofte Verdomde Kater) of een lokale bluesband (La Chiva, een van de drie die het land rijk is). Altijd in het Spaans gezongen, natuurlijk met de hulp van een uitzinnig publiek.

Als je daar dan toch je gewone leventje leidt, in een stad die dan nog wat wegheeft van Gent, waarom moet je het dan per se zo ver gaan zoeken, hoor ik jullie al vragen. Wel, behalve het weer is ook het leven er totaal anders. Al merk je dat pas als je er een tijdje vertoeft. Zo blijkt zelfs een moderne stad als Sucre maar één supermarkt te tellen. Gastheer Josué en zijn vrouw Melina gaan er trouwens nauwelijks naartoe. De kleurige mercado central, waar de boeren hun verse waar komen verkopen, of de nog geschifter mercado campesino, een stuk buiten het centrum, zijn goedkoper.


Streetart. Er mag al eens gelachen worden met de president die zich bij zijn voornaam laat aanspreken.

En hoewel het gezin er helemaal niet arm uitziet, kunnen ze toch best op de kleintjes letten. Het ouderlijk huis is in tweeën gedeeld zodat ook de zus er kan leven met haar gezin. Grootvader, een Quechua-indiaan, woont in (en vertelt overigens machtige indianenverhalen). En de maaltijden zijn heel sober (’s avonds zelfs enkel thee). Ik dacht ze trouwens een dienst te bewijzen door een heerlijke Belgische bloemkool met kaassaus te prepareren, maar ik bleek als enige onder de indruk van mijn kookkunsten…

Het zijn noodzakelijke maatregelen. Melina verdient als halftime kleuterleidster 55 euro per maand. 15 euro gaat naar de school van Kevin, 10 naar Josy, een ander deel naar Melina’s bijscholing om later als secretaresse aan een fulltime te geraken.


La familia: Josué, Melina, Kevin en Josy.

En Josué? Die heeft werk als mountainbikegids. Als ze hem bellen tenminste. Voor een hongerloontje, zeker in vergelijking met wat toeristen voor zo’n rit betalen.

The bike side of life

Maar ik, ik moet dus niet betalen. Ik rijd elk weekend met Josué en zijn vrienden de beste parcours af die ze in hun jarenlange carrière ontdekt hebben. Kilometers ongerepte natuur zonder een levende ziel tegen te komen, lunchen bij de Quechua’s, ver van de bewoonde wereld. Het zijn de mooiste tochten die ik in mijn leven gemaakt heb.

Afzien op een mountainbike hoog in de ontzagwekkende Andes, dat is leven. Met dank aan die zonnen van Bolivianen.


Mountainbiken in de Andes: om zot te worden van de kicks.

Poll Scriptum: Jawel, Papa Noel ging net iets te dicht om die dynamietexplosie te filmen. En jawel, heel typisch begaf Papa Noel zijn batterij het amper enkele seconden voor het moment supreme. Een medereiziger heeft mij de YouTubelink beloofd als zijn volledige versie online staat (het is een Duitser, niet dat het ertoe doet).

De nieuwe poll? De onnozele houding op deze foto is niet zonder betekenis. Maar welke zou die betekenis dan wel kunnen zijn? Let op de details.

Ode aan de mijnwerkers van Potosí

april 28, 2008

Als ik deze post met de volgende zin begin, verlies ik de helft van mijn lezers omdat ze jaloers achter hun bureautje zitten en de andere twee omdat ze me niet geloven. En toch doe ik het, omdat ik niet anders kan: Bolivia is een fantastisch land, met ongelooflijk vriendelijke mensen.

Jij bent toch nog aan het lezen, moedre? Goed, dan geef ik eerst het bewijs voor ik ook mijn laatste lezeres verlies. Voor het moment zit ik op een zonovergoten koloniale patio mijn blogje te schrijven in een huis dat ik een paar weken het mijne mag noemen. Dankzij de gastvrijheid van Josué en zijn gezin, met wie ik samenleef hier in Sucre.

Moet er nog zout zijn

Hoe het zover is gekomen, is grotendeels te danken aan mijn eerste dagen ‘alleen’ op reis. Al is dat een relatief begrip. De driedaagse trip vanuit San Pedro, Chili naar de zoutvlakte van Uyuni in Bolivia onderneem je uiteraard niet alleen-alleen. Met een handvol toeristen zit je opeengepakt in een 4×4 bestuurd door een gids-chauffeur.


Laguna Colorada, onderweg naar het zoutmeer in Zuid-Bolivia.

Geen overbodige luxe als je weet dat het zoutmeer volgens sommige bronnen een derde van de oppervlakte van België beslaat. En wegen, laat staan wegwijzers, moet je er niet verwachten. Een spierwitte vlakte die reikt tot aan de horizon, onder een staalblauwe lucht. Het is een onbeschrijflijke ervaring die met niets te vergelijken valt. Magisch gewoon.

En die intensiteit – zij het op de meest diverse vlakken – blijkt typisch voor dit land. De aankomst in het dorp Uyuni bezorgt me niet meer of minder dan een cultuurschok. Na tweeënhalve maand westers luizenleven beland je in een ontwikkelingsland.

Exemplarisch zou je mijn eerste Boliviaanse wc-bezoek kunnen noemen (een smerig gat in de grond), of beter nog: de stapel tweedehandsschoenen op de markt in Uyuni. Een groter contrast met het merkengekke Chili en Argentinië kun je je niet inbeelden.

En om eerlijk te zijn: het geeft me precies de punch die ik nodig heb na de reisgewenning die toesloeg de laatste dagen in Chili. Want Bolivia blijkt ook een land dat meteen heel authentiek overkomt, met autochtone Quechua’s en Aymara’s die nog uit gewoonte traditionele kleren dragen en niet voor de toeristen.

Keizersstad in het Westen

Ook Bolivia: de nachtelijke busrit naar mijnstad Potosí. Vaarwel luxueuze camabussen (met bed), welkom lawaaierige propvolle afgedankte wrakken. Met een snelle stop waar het mansvolk onbeschaamd zijn ding doet in de dichtstbijzijnde voortuin. Hopelijk voor de eigenaar stopt de bus telkens ergens anders.


Mag er daar zout op?

Dankzij zijn zilvermijnen heeft Potosí een indrukwekkende geschiedenis, die je nog altijd merkt in de koloniale architectuur van de stad. Ten tijde van ‘onze’ keizer Karel was het niet minder dan de rijkste stad van de wereld, waar de eerste echte eenheidsmunt geslagen werd. Maar net door diezelfde mijnen hangt er vandaag de dag een depri sfeertje.

Want hoewel er nog nauwelijks zilver te delven valt en het laatste staatsbedrijf er al een paar jaar opgedoekt is, dalen velen er nog elke dag voor eigen rekening af in de mijnen. Ook ik deed het. En al besef ik maar al te goed dat ik er zonder enig overdrijven mijn leven voor op het spel gezet heb, ik had het voor geen zilver ter wereld willen missen.

De gidsen probeerden ons op voorhand zo hard duidelijk te maken dat we vooral moesten lachen en grapjes maken met de mijnwerkers, dat het iets in-triest had waar de tranen me net niet van in de ogen sprongen. Het verbeterde er niet op toen ze ons aanboden om als geschenk voor de arbeiders een drank te kopen met – hou je vast – 96 procent alcohol. Ik heb het gehouden bij een paar dynamietstaven, waarmee ze op goed geluk zilveraders proberen bloot te leggen, en cocabladeren, waarmee ze het einde van de dag net iets makkelijker halen. Jups, die dingen kun je daar zomaar op straat kopen.


Zoek Marre…

Ik steek zelf wat coca in mijn mond (wekt speeksel op, waardoor de stofferige en hete lucht je minder irriteert) en hup, we duiken de mijn in. ‘Duiken’ is in dit geval nauwelijks beeldspraak, want niks brede gang met stevige stutbalken of mijnlift. Enige automatische dat er te bespeuren valt, is een treintje dat op het bovenste niveau vracht vervoert en waar we een keer of twee voor uit de weg moeten springen. Afdalen is kunst- en vliegwerk via provisoire en uiterst gammele ‘ladders’ en kruipend op handen en voeten - bij momenten ellebogen en knieën, want de doorgangen zijn niet voorzien op Europese maten.

Als we op niveau 4 aankomen – er zijn al een paar kompanen afgevallen - is de hete ijle stoflucht pas echt verstikkend (vergeet niet dat Potosí op 4000 meter hoogte ligt). Maar vanaf het moment dat een achttienjarige mijnwerker ons vanuit een onooglijk gat tegemoet komt gekropen, blijken alle verschrikkingen die we doorstaan hebben in één klap bijzaak. Met volledig uitgeleefde, doffe blik vertelt hij ons dat hij hier al vier jaar werkt. U leest het goed: van zijn veertiende.

En hij heeft nog een tijdje te gaan. Na een harde sociale strijd hebben ze de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ tot net onder de zestig gekregen. Extreem bitter als je weet dat de meesten amper de 55 halen.

Hij moet dan toch wel erg veel verdienen, vragen we ons hardop af. Twee, soms drie dollar per dag. Als hij het geluk heeft dat hij op het weinige zilver stoot dat er nog te vinden is. En geloof me, zelfs naar Boliviaanse normen is dat niet zo veel. Zelfs met lesgeven, een van de slechtstbetaalde jobs, verdien je hier meer. Maar je moet daar dan ook voor gestudeerd hebben.


Chique baard!

Dit is handwerk: met hamer en beitel kappen bij 40-45 graden Celsius. Met je zware buit op de rug door nauwe holen naar boven klimmen. Met dynamiet in een wirwar van nauwelijks gestutte gangen een nieuw gat blazen. En hopen dat daar meer te vinden is.

Chemical brothers

Er zijn ook lichtere jobs. Al is het maar de vraag of die beter zijn. Om het zilver te verkrijgen moet je het ruwe gesteente namelijk behandelen. In een gebouw vol roeste USSR-machinerie kunnen we het amper twee minuten volhouden voor we bijna bezwijken onder de zware chemische dampen. Met het uiterst giftige spul dat vrolijk in allerlei open bakjes circuleert, wordt ongetwijfeld al eens nonchalant gemorst. Maar who cares, dit is een buitenwijk van Potosí, vol arme families. Ik kan het niet laten te vragen waar het afval naartoe gaat. Het officiële (!) antwoord luidt: ‘Gelukkig hebben we nu al een tijd een veilige dumpplaats een eind verderop.’ Je moet niet vragen.

Het mijnbezoek bracht me zo van mijn melk dat ik besloot meteen een ode aan de werkers van de Cerro Rico te schrijven op mijn blog. Helaas is dat er de afgelopen weken niet van gekomen door de uiterst intense Boliviaanse avonturen die elkaar in spoedtempo zijn blijven opvolgen. Nu ik dit al schrijvende herbeleef, ben ik weer even erg onder de indruk (getraumatiseerd?). Zo erg dat ik vind dat het welletjes is voor vandaag. De andere avonturen zijn voor een volgende blogpost. En zo krijgen de mijnwerkers alsnog hun eigen ode. Meer dan terecht.

Poll Scriptum

Om toch nog met een opgewekte noot te besluiten: de poll. Vraag 1: welke naam wordt mij in dit filmpje zonder enige schroom toegedicht? Vraag 2: wat staat hier te gebeuren?

Tip op deze foto:

Oh ja, antwoord van de vorige poll was a, zoals de vreemde Jezusfiguur omringd door 3 Maria’s op deze foto bewijst. Ik heb er overigens zwaar voor onder mijn voeten gekregen van een veel te katholieke Chileense furie. “Baja, baja! Kom daaraf, daaraf zeg ik!”

 always look on the bright sight of life